Kunstenaars Vereniging Flevoland

De Week van de Verbeelding 2

afbeelding van Liesbeth

‘NOEM EENS EEN DICHTREGEL DIE JOU INSPIREERT?’ vroeg Maria…

…en dit is mijn antwoord…

 

MI LANCT NA DI
*Liesbeth Lagemaat* 

Er zijn dichtregels die je onmiddellijk en voorgoed betoveren. Wanneer je ze voor t eerst hoort, en misschien maar half begrijpt welke lading de woorden hebben, gaan ze rondzingen in je hoofd. En dat blijven ze doen, een leven lang. En wie weet zullen die dichtregels de laatste klanken zijn die je hoort in de stilte van je hart, als je stervende bent. ‘Mi lanct na di.’ 

Ik zal een jaar of vijftien zijn geweest. Zat op een vreselijke middelbare school, een ‘leerfabriek’, in een klas die door alle leraren ‘de rotste uit hun carrière’ werd genoemd. Alle leraren. Behalve een. De leraar Nederlands. Een kleine man, met een wat roodachtig, vlekkerig gezicht, een ongepoetste bril en een neus als de snavel van een klein vogeltje. Hij kwam de klas binnen, legde een stapel boeken op zijn bureau en begon te vertellen. Of voor te lezen. En die hele rotklas was stil. Vijftig minuten lang. Het interesseerde hem waarschijnlijk niet eens zoveel of we wel of niet luisterden, hij was aan het beminnen. Hij sprak tot zijn liefdes, de vele verhalen, legendes, gedichten die om hem heen leken te zweven, die hem verleidden, die hem een glans leken te geven. Het vogelachtige mannetje werd vanbinnen verlicht, zo leek het wel, als hij begon te spreken. En dat licht straalde af op vijfendertig pubers die de les daarvoor in het scheikundelokaal nog de planten met chloor hadden begoten. 

‘Mi lanct na di’ had een regel kunnen zijn uit een popsong, vaak wist je ook niet precies wat je nou allemaal mee zong, maar de woorden pasten zo lekker in het ritme, je stond al te dansen als je die klanken hoorde, net zoals bij die ‘mi’ en ‘di’ en ‘di’ en ‘mi’, een boogje van ‘i’’s om de zachte ‘a’ en een soort echo daarvan, de ‘aa’.      

Het vogelmannetje liet ons zien hoe diep een verlangen kan zijn. 

Het bord werd opengeklapt, en daar stond met wit krijt geschreven: 

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven.

Dat was gheselscap goet ende fijn,

het sceen ten moeste ghestorven sijn.

 

Nu bestu in den troon verheven,

claerre dan der zonnen scijn.

Alle vruecht es di ghegheven.

 

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors de doot, du liets mi tleven.

 

Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven

ende in de weerelt liden pijn.

Verware mijn stede di beneven:

ic moet noch zinghen een liedekijn,

nochtan moet emmer ghestorven sijn.

 

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven.

Dat was gheselscap goet ende fijn,

het sceen ten moeste ghestorven sijn.

[i]

 

Dat het ging over iemand die rouwde om een gestorven kameraad, drong pas in tweede instantie tot me door. Eerst was er dat onpeilbare verlangen, en ja, dat kende ik ook wel, net als het vogelmannetje. Verlangen naar een vader, die er niet was, verlangen naar een ander leven dan dit puberbestaan van hier en nu. Verlangen naar stilte. Een huis zonder ruzie. 

Diezelfde avond had ik het lied in mijn mooiste handschrift op vier vellen typemachinepapier overgeschreven uit mijn literatuur-schoolboek, ‘Lodewick’, en het boven mijn bed gehangen, met plakband op mijn paarsgeverfde muur. En toen haalde ik het toch maar weer van die muur af, rolde het op, legde het onder mijn bed, dan zou ik er ‘s nachts bij een klein lampje naar kunnen kijken. Ik wilde de woorden ook beschermen tegen loerende ogen die ze zouden kunnen vergiftigen of beschadigen. 

En telkens als ik in het donker onder mijn bed greep, en het opgerolde stuk papier bij het lampje hield, de wonderbaarlijke zinnen in die verwegge, maar steeds dichterbij komende taal las, kwamen er weer andere beelden bij me op. De tekst was een soort toverlantaarn geworden. ‘Ic moet nog sneven ende in de weerelt liden pijn’. Ja, dat moest ik ook sinds mijn vader vertrokken was. Ik was dus niet alleen, en die vriend van Egidius had t blijkbaar ook overleefd, anders had hij het niet zo helder op kunnen schrijven allemaal. 

En ‘Nu bestu in den troon verheven claerre dan der zonnen scijn. Alle vruecht es di ghegheven.’ Kijk, dat was nog eens stevige taal. Ik wist zeker dat ik ook ooit in den troon zou worden verheven. Dan was dit huis een zwarte herinnering, en zou ik godweetwaar maar hier ver vandaan wonen, en wie weet zou ik ooit mijn eigen schrijfsels, al konden die niet tippen aan dat Egidiuslied, aan iemand durven laten lezen. En zou die iemand ze begrijpen. Of een klein beetje. ‘Mi lanct na di’, zou ik dan tegen die iemand zeggen. ‘Mi heeft altijd al na di gelanct.’ En de wereld zou ‘claerre dan der zonnen scijn’ worden omdat ik niet meer alleen was met al die rare gedachten in mijn hoofd, ‘alle vruecht’ zou ons ‘ghegheven’ zijn.

Ik had er al zin in, in die toekomst die nog wel jaren op zich zou laten wachten. Want eerst moest er nog een hoop ‘ghestorven’ worden. Ik zou nog kweetniethoeveel keer moeten verpoppen, als een larve in een cocon moeten liggen ingesponnen, tot op een ochtend de zon zo ‘claerre’ was, zo helder als vloeibaar goud, en ik ineens vleugels bleek te hebben, nog nat eerst, langzaam droogden ze in dat gouden licht, en ik bewoog die vleugels en bleek omhoog te stijgen, dit was dus vliegen, ik kon zweven, het ‘sneven’ was over en uit. 

Met mijn wijsvinger trok ik s nachts de letters over, het was alsof de dichter van het Egidiuslied en ik samen die woorden schreven, elke keer opnieuw. 

En nog, als ik die wonderlijke, verwegge en zo dichtbije zinnen lees, gaat er een toverlantaarn aan in mijn hoofd, en de meest wanhopige èn de meest verlichtende beelden laten zich zien, ze komen en verdwijnen. En ik weet dat het altijd zo zal gaan wanneer ik ook maar denk aan die vier klanken, ‘mi lanct na di’.  Twee ‘i’s die hun armen om die ‘a’ en ‘aa’ slaan, om ze te beschermen. 

Ze hebben met me mee gereisd, mijn leven lang, vanaf mijn vijftiende ongeveer, en wie weet zullen die klanken het laatste zijn wat ik hoor in mijn stille hart, wanneer ik sterf. 

---  

Voor wie dat prettig vindt, hier een hedendaagse vertaling door Willem Wilmink: 

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap was er vroeg en laat,
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat. 

Nu ben je in 't hemelrijk verheven,
helderder dan de zonneschijn,
alle vreugd is jou gegeven.

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.

Bid nu voor mij, ik ben verweven
met deze wereld en zijn kwaad.
Bewaar mijn plaats naast jou nog even,
ik moet nog zingen, in de maat,
tot de dood, die elk te wachten staat.

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap was er vroeg en laat,
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat. 

 

Er is een andere ‘hertaling’ door Maria van Daalen (in: ‘Leven, liefde en devotie’, KB 2013, p. 100):

Egidius, waar mag je wezen?
Ik wil je zo graag aan m'n zij.
jij ging maar dood, jij liet mij leven.
Zo goed toen, tussen jou en mij,
als kwam de dood nooit meer voorbij.

Tot Gods troon ben je opgeheven,
straalt boven zon en sterrenrij.
Het puurst geluk is je gegeven. 

Egidius, waar mag je wezen?
Ik wil je zo graag aan m'n zij.
Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

Bid toch voor mij, ik word gedreven
door deze wereld, hard, onvrij.
Weer naast jou zitten, dat duurt even.
Ik zing eerst nog dit lied van mij,
het sterven komt vanzelf voorbij. 

Egidius, waar mag je wezen?
Ik wil je zo graag aan m'n zij.
Jij ging maar dood, jij liet mij leven.
Zo goed toen, tussen jou en mij,
als kwam de dood nooit meer voorbij. 

[1]

Tekst is die van de officiële editie van prof. Dr. Herman Brinkman (uitgeverij Verloren, Hilversum 2015), pp. 470-471 

 

ONUITGESPROKEN LIED 

Ik zie je. Ik zie je in de nerf van het blad, waar een duizendvoudig
verkleind insectje overheen kruipt, niets houdt hem tegen, misschien 

het licht dat zijn pootjes schroeit, ik zal het blad bedruppelen en zal
de stengel beschermen met mijn handen, ik zal de zwarte ragdunne 

pootjes van het blad naar mijn vingers voelen kruipen en mijn vingers
zullen zeggen ‘eigenlijk zijn wij het blad’. Ik zie je. Ik zie je in de druif 

die nog groen is, hier achter in de tuin, zo groen als Vlaamse druiven
maar kunnen zijn in augustus. Ik weet je, daarbinnen. Het licht schijnt 

op je vlies. Ik zie je in de takken van de krulhazelaar, die zijn houten
voelsprieten uitstrekt naar dat blauwe tentzeil, hierboven, het is dat 

mijn kijken te snel gaat want kon ik mij vertragen dan zou ik elke
schok elke kronkeling elke golf elke boog van je arm, elke arabeske 

in lucht in blauw in niets in tentzeil, zou ik elke beweging kunnen zien
ja ik zie je. Ik zie je in de blauwe grassen langs de vijver. Ik zie je in de 

donsvacht van de bijen, in de struik waar de lathyrus zich doorheen
slingert op weg naar de hemel, die bestaat. Ik zie je. Ik zie je in het door- 

schijnende paars van de erwtenbloempjes, brozer is je kelk dan alles
wat ik ken, ik voel je. Ik neem je op met mijn oog niet met mijn hand 

ik draag je in me om, de zachtste woorden die ooit werden geboren zijn
voor jou, ik voel je. Dat je bestaat in het hier en het nu, ik voel je. Dat je 

gedreven door wind gevoed door zon doordrenkt met het azuur van
hierboven of van het water, alle vierkante meters druppel uit het vijvertje, 

dat je me weet dat je me hoort als ik je naam – Je komt niet terug.
Je bent kapot. Ze hebben je verzonnen met een pak aan en een geweer 

over je schouder, je paste daar precies in dachten ze. Ik zie je in de nerf
van het blad, het is datzelfde groen. Al het blad is in uniform vanaf 

vandaag. Ik voel je, ik noem je naam en ik kom klaar je bent de druif
hier in de rank tegen de muur van het tuinhuis. Het is augustus en de zon 

beschijnt je vlies. Ik zie je, in alles voortaan ik zie je. Elke nacht kom ik
klaar op je naam. 

---

Uit: Liesbeth Lagemaat, ABRI (uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2018), p. 74, uit de cyclus ‘Soldatenvrouw’, het eerste lied

Reacties

afbeelding van Hein

Antoine Oomen heeft een prachtig lied geschreven op deze tekst. En ook mooi gezongen door Mariette Oelderik: https://www.youtube.com/watch?v=8VZnChiSz6o

afbeelding van Gonny Geurts

"ik ben een schaal
wil mij vullen"
Mischa de Vreede

afbeelding van Jan Coenen

Een feest van herkenning, die Egidius en Lodewick. Ik heb mijn Lodewick (literaire kunst 28e druk uit 1967) opgesnord, maar Egidius niet gevonden. Dat zal dan wel de literatuurgeschiedenis en bloemlezing geweest zijn. Ik vind trouwens de hertaling van Maria veel mooier dan de vertaling van Willem Wilmink. Wel vroeg ik me af of Egidius maar dood ging of voor de dood koos. In mijn herinnering was hij een held die zijn leven gaf voor een nobel doel. Een goed gekozen dood. Zou dat kunnen in het licht van de verbeelding? Is dat de held uit het onuitgesproken lied?
En dan die donsvacht van de bijen:
In Lodewick viel mijn oog op een strofe van Euthanasia van J.C. Bloem:
Verlate dan de ziel haar vleeschelijke woning,
Die weldra achterblijft, een dienaar zonder heer,
Gelijk de zatte bij, die, zwaar van de' aardschen honing,
Wegvliegt van 't geurge veld door gouden schemersfeer.

De verbeelding van deze week is in het verre verleden gestart, komt de toekomst nog aan bod? Of moet de week dan langer duren?

afbeelding van Hans Breuring

Wat kan taal toch prachtig zijn en krachtig voor een 'onhandelbare' puber die groot wordt. En een leven lijdt, gevoed door door zulke woorden. Wat sterk ook om ze zo te delen. Dank daarvoor.

afbeelding van Maria M

Ha Jan, mooie reactie! Egidius heeft vrijwel zeker echt bestaan. Hij heette Gillis Honin. En of hij 'koos' voor de dood... Hij verkeerde in enorme geldproblemen, met schulden, toen hij stierf... Kijk even op deze Wiki-pag., even naar onder scrollen tot je 'm vindt: https://nl.wikipedia.org/wiki/Honin Dus Gillis Honin I (ca.1340-1385). Noël Geirnaert die het heeft uitgezocht is een zeer betrouwbare onderzoeker.

Reactie toevoegen

Powered by Access2.IT